Willem en zijn stille verdriet
Als wijkverpleegkundige kom ik bijna dagelijks in aanraking met palliatieve terminale zorg. Zorg die ook gericht is op de wensen en behoeften van de patiënt. Dit was zeker bij Willem F. van toepassing.Ondanks het verdriet dat Willem met deze wens bij de familie opriep.
Willem was een jonge, ambitieuze, sportieve, politieagent van 29 jaar. Een paar jaar getrouwd, geen kinderen. Een grote vrienden en kennissen kring. In de zomer veel zeilen en in de winter vaak skiën. Enkele avonden in de week was Willem op de sportschool te vinden en ook in het nachtleven waren zijn vrouw en hij geziene gasten. Kortom een vrolijke, charmante levensgenieter.
Dat veranderde abrupt eind jaren 80. Na een zeiltocht op de Friese meren kreeg Willem eind augustus, klachten. Last van zijn rug en algehele malaise. Hij had er weinig aandacht voor. Kreeg naar zijn zeggen griep die niet overging. Bleef een paar dagen thuis en ging weer naar zijn werk. Daarna klaagde Willem steeds over vermoeidheid. Hij ging het iets rustiger aandoen. De klachten bleven. Begin oktober besloot Willem naar de huisarts te gaan. Willem werd meteen doorgestuurd naar het ziekenhuis voor foto’s en bloedonderzoek. Een paar dagen later wist Willem dat hij progressieve huidkanker had en nog een aantal maanden om te leven. Dat kwam hard aan. Verbijstering en ongeloof. De artsen adviseerden Willem naar huis te gaan voor de dagen die hem restten. Dat was ook zijn wens en die van zijn vrouw. Vanaf het moment dat Willem thuis was trok Willem zich volledig terug uit het dagelijkse sociale leven. Hij wilde ook geen contact met zijn ouders en zei bijna niets meer.
Half oktober werd ik gevraagd om s’nachts bij Willem te waken. Ik werkte in die tijd in de terminale nachtzorg. Dat was voor mij beter te combineren met mijn gezin dan om overdag te werken. Ik werkte 5 nachten in de week bij Willem.Van 23.00 uur tot 7.00 uur. In het week-end waakte zijn vrouw bij hem. Ook wilde Willem geen dagzorg. Het was zijn wens dat zijn vrouw voor hem zorgde. Deze dagtaak nam zij liefdevol op zich. Het was erg zwaar voor haar, maar het enige wat zij nog voor hem kon doen.
De eerste keer dat ik hem ontmoette had hij een heftige pijnaanval. Ik zat zwijgend bij hem. Dat zou mijn taak worden. Er alleen ZIJN. Als hij sprak was het in korte afgemeten zinnen. Vaak op commandotoon. “Breng me naar de wc”. “Geef me een ander kussen” Zet me anders in de stoel” “Medicijnen” “Ik heb pijn” “Water” “Ik wil dood”
Willem wilde zijn vader, moeder, broer en zus niet meer zien. Familie en vrienden mochten niet komen. Telefoon werd op het antwoordapparaat gezet. Jaloezieën en gordijnen dicht. Het was altijd donker in de kamer. Er was geen verschil meer tussen dag en nacht. In bed kon Willem niet liggen. Hij zat of hing in een leunstoel ondersteund met allerlei kussens. Ook in dit opzicht was er geen verschil tussen dag en nacht. Het was een heel gedoe om hem ‘s nachts goed te zetten zodat hij comfortabel zat. Daarna dommelde hij voor een half uurtje weg. Dan begon het goedzetten opnieuw. Naar de wc gaan was een ware kwelling voor hem. Met zijn lengte van 1,90 en een zware bouw was het een hele onderneming. Willem wilde dat ik een kussen op mijn schouders legde. Daar kon hij zijn hoofd opleggen. Zijn gewicht steunde volledig op me. Zo schuifelde wij twee tot vier keer per nacht richting wc. Dit was wat hij wilde. Ik deed wat hij vroeg. Fysiek en emotioneel waren het voor mij zware nachten.
Soms praatten Willem en ik over zijn afwijzing naar zijn familie. Het verwerken van zijn verdriet en het accepteren van zijn dood wilde hij alleen doen. Zelfs zijn vrouw betrok hij er niet bij. Ik respecteerde dat, hoe moeilijk ik zijn keuze ook vond. Mijn aanwezigheid was voldoende voor hem.
Begin december kreeg ik in de middag een telefoontje. Willem was overleden. Precies zoals hij wilde. Alleen, in stilte, zelfs zijn vrouw was op het moment van overlijden niet bij hem. Willem’s laatste wens, dat iedereen hem zou herinneren zoals hij was geweest had hij op deze manier tot uiting gebracht. Zijn vrouw vertelde me dat zij hier vrede mee had. Willem had haar volledige steun gekregen ondanks het verdriet wat zij zag bij zijn en haar ouders, familie en vrienden.
Wat had ik in deze omstandigheden nog meer kunnen doen dan wat Willem aangaf? Zijn wensen en behoeften stonden centraal. Zijn keuzes had ik te respecteren. Toch was ik tevreden met het feit dat ik er voor Willem had kunnen ZIJN. Dat was voldoende.